woensdag, 06 juni 2012 08:50

Korte bibliografie

Romans
Afscheid in Meudon. Amsterdam 1990.
Helden zijn zwart. Amsterdam 1994.

Verhalenbundel
Wilde verhalen. Een reis door tijd en ruimte. Soesterberg, 2016.


Verhalen
Op naar brons. Optima 27, jrg. 8, 2, 1990, 47-74.
't Grote verhaal. Optima 33/34, jrg. 9, 4, 1991, 77-89.
De grote strijd. Optima 36, jrg 10, 3, 1992, 27-38
Uw droefheid zal tot blijdschap worden. In: Dan liever de lucht in. Fantastische verhalen uit de vaderlandse geschiedenis. Amsterdam, Querido 1996, 200-226.
Tonton Georges. De Revisor 32, 6, 2006, 63-71.
Ik, Gallobataaf. De Revisor 33, 4, 2007, 47-53.

 

Céline
Reis naar het einde van de nacht. Vertaling van L.F. Céline, Voyage au bout de la nuit. Amsterdam, 1968.
Louis-Ferdinand Céline, Van de ene dood naar de andere. Brieven, artikelen en polemieken, gekozen, ingeleid en uit het Frans vertaald. Amsterdam 1971.
Céline, een briljante boef. Herziene uitgave. Soesterberg, Aspekt 2012, 400.

Artikelen
Le Bretonnant Breton Bretonneux Bretonné. Surréalérotiek. Optima 40, jrg. 11, 3, 1993, 5-36.
Wat moeten we met Proust? Maatstaf, jrg. 44, 4, 1996, 28-48.
Ik, Maldoror. Maatstaf, jrg. 44, 5, 1996, 2-6.

Polemieken
Tegendraads-lezen als excuus voor mis-lezen. Optima 31, jrg. 9, 2, 1991, 40-62.
Door de ogen van de man. Maatstaf, jrg. 44, 9, 1996, 18-27.
Visfucking. Propria Cures, jrg. 105, 20, p.1.
Het stoere leven van een Stasipoes: Elsbeth Etty. Propria Cures, jrg. 105, 22, p. 6.
Op schoot bij opa. Propria Cures, jrg. 105, 25, p. 5.

Dissertatie
Literatuur en ideologie. Proust en ter Braak. Dissertatie Leiden 1985. Handelseditie Amsterdam 1985. Zie ook hier.

Zie ook: 
Teksten in dbnl

woensdag, 06 juni 2012 08:28

Complete bibliografie

1968
Reis naar het einde van de nacht. Vertaling van L.F. Céline, Voyage au bout de la nuit. Amsterdam. Veertiende druk 1992

Dertiende geïllustreerde druk (Tardi) 1989.

1969
In de schaduwen van Kaleis' proza. Maatstaf jrg. 17, nr. 8, 1969, p. 531-539.

1971
Louis-Ferdinand Céline, Van de ene dood naar de andere. Brieven, artikelen en polemieken, gekozen, ingeleid en uit het Frans vertaald. Amsterdam 1971. 128 pp.

1972
Dankwoord van Drs. E. Kummer. Bij de Uitreiking Martinus Nijhoffprijs voor vertalingen 1972, Prins Bernhard Fonds. Amsterdam 1972, p. 11-13.

Dromen onder de helm. Maatstaf jrg. 20, nr. 7, 1972, p.421-428.

1973
Zeg 't tegen Frankrijk. Maatstaf jrg. 21, nr. 9, 1973, p. 568-580.

1974
De list van de roman. Maatstaf jrg. 22, nr. 4, p. 44-47.

1975
Vals perspectief. Tirade jrg. 19, 1975, p. 431-445.

Voor de Clinge Doorenbosch van het Hollands Maandblad. Maatstaf, jrg. 23, nr. 4, 1975, p. 48.

1976
Alexander Cohen als anarchist. Maatstaf jrg. 24, nr.8/9, 1976, p. 123-133.

Reis naar het einde van de tijd. Over L.F. Céline. In: Reisgidsen voor Belluno's en blauwbaarden. Opstellen over S. Vestdijk en anderen aangeboden aan dr. H.A. Wage. Publikaties van de Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde. leiden 1976, p. 81-90.

Wayne C. Booth et l'auteur implicite de Voyage. Australian Journal of French Studies XIII, nr. 1/2, 1976, p. 18-24.

Céline aux Pays-Bas. Australian Journal of French Studies XIII, nr. 1/2, 1976, p. 162-164.

E. Kummer & H. Verhaar, Over de avonden van Gerard Kornelis van het Reve. Amsterdam 1976. 104 pp. Tweede druk 1978.

E. Kummer & P.F. Schmitz, The Rhetoric of Fiction van Wayne C. Booth in de praktijk. Forum der Letteren jrg. 17, nr. 1, p. 31-45.

E. Kummer & R. Spoor, Vijf brieven van Alexander Cohen. Tirade jrg. 20, 1976, p. 1-25.

1977
Alexander Cohen (2). Maatstaf jrg. 25, nr. 1, 1977, p. 80-84.
Alexander Cohen (3). Maatstaf jrg. 25, nr. 2, 1977, p. 79-88.

1979
Reis naar het einde van de nacht. In: A.D. Leeman e.a., Literaire reizen. Muiderberg 1979, p. 66-83.

Multatuli als aforisticus van de waarheid. Over Multatuli 4, 1979, p. 4-20.

Literatuur als een ideologische interpretatie van de werkelijkheid. Forum der Letteren 1979, p. 78-85. Ook verschenen in: Lezen en interpreteren. Een bundel opstellen voor S. Dresden onder redactie van E. van der Starre e.a., Muiderberg 1979, p. 78-85.

De onzekere weg van de literatuursociologie. Literair Paspoort jrg. 30, 1979, p. 285-288.

Signalementen over Franse literatuur in Literair Paspoort. jrg. 30, 1979, p. 129-132; p. 291-292. .

Céline in het winkeltje van de algemene literatuurwetenschap. Meta jrg. 14, 1979, p. 2-5. Herdukt in: Metamorfoses. Bloemlezing uit 25 jaar Mededelingenblad voor Neerlandici. Leiden 1992, p. 89-95.

1980
Drieu la Rochelle en Du Perron. In: Voor H.A. Gomperts bij zijn 65ste verjaardag, onder redactie van Eep Francken e.a. Amsterdam 1980, p. 185-195.

Mort à credit. Tirade jrg. 24, 1980, p. 138-162.

Drieu la Rochelle. Literair Paspoort, jrg. 31, 1989, p. 763-767.

Signalementen over Franse literatuur in Literair Paspoort, jrg. 31, 1980, p. 531-536.

Ik heb nooit enig gezag over mij aanvaard. VPRO-gids 1/7 maart 1980, p. 3-5.

1984
Ter Braak en het verschil. Bzzlletin 115, 1984, p. 31-35.

1985
Literatuur en ideologie. Proust en ter Braak. Dissertatie Leiden 1985. Handelseditie Amsterdam 1985. Klik hier: dissertatie.

1986
Wetenschap en ideologie. Forum der Letteren 27, 1986, p. 301-2.

020-257561. In: 50 Jaar Huis aan de Drie Grachten. Amsterdam 1986, p. 9-11.

1987
Onze voorouder: Multatuli, Onafhankelijk Weekblad I. Over Multatuli 19, 1987, p. 6-18.

1988
Onze voorouder: Multatuli, Onafhankelijk Weekblad II. Over Multatuli 21, 1988, p. 44-58.

Onze voorouder: Multatuli, Onafhankelijk Weekblad. III. De ideologische instituties. Over Multatuli ??, p. 44-58.

1989
Recensie over Cyrille Offermans, Niemand ontkomt. Literatuur jrg. 6, 1989, p. 121-123.

1990
Afscheid in Meudon. Amsterdam 1990, 189 pp.

Op naar brons. Optima 27, jrg. 8, nr. 2, 1990, p. 47-74.

Fantasie met mollen en kruisen. Optima 29, jrg. 8, nr. 4, 1990, p. 58-66.

Multatuli tussen fallus en vagijn. Over Multatuli 24, 1990, p. 16-25.

Em. Kummer & Eep Francken, Einde koppelkoers. Over Multatuli 25, 1990, p. 77-81.

Het ritme van de oerdrift. In: De Multatulianen groeten u allen zeer. Bij het afscheid van J.A. Roelfsema-Tenge, red. A. Jongstra & J van Waterschoot, Uitgelezen Boeken jrg. 4, 1990, p. 12-14.

1991
Tegendraads-lezen als excuus voor mis-lezen. Optima 31, jrg. 9, nr. 2, 1991, p. 40-62.

't Grote verhaal. Optima 33/34, jrg. 9, nr. 4, 1991, p. 77-89.

Duparc. Maatstaf, jrg. 39, nr. 11/12, 1991, p. 64-70.

Een nieuw paradigma in de literatuurwetenschap? De Gids jrg. 154, 1991, p. 231-233.

Karakter. In: Liber amicorum Jacob Vredenbregt. Leiden 1991, p. 129-132.

1992
De grote strijd. Optima 36, jrg 10, nr. 3, 1992, p. 27-38

Recensie over A. Mertens, Sluiproutes en dwaalwegen. Literatuur jrg. 9, 1992, p. 180-183.

1993
Rob de Witte. Optima 39 jrg. 11, nr. 2, p. 69-78.

Le Bretonnant Breton Bretonneux Bretonné. Surréalérotiek. Optima 40, jrg. 11, nr. 3, 1993, p. 5-36.

Ingezonden brief in de rubriek Opinie over Mieke Bal en Du Perron. Literatuur jrg. 10, 1993, p. 29-30.

Recensie van R. Marres, Polemische interpretaties. Literatuur jrg. 10, nr. 6 , 1993, p. 368-369.

1994
Helden zijn zwart. Amsterdam 1994, 213 pp.

De tombe van Haarlem. In: Ad Zuiderent (red.), Jan Campert-prijzen 1994. Baarn, 1994, p. 32-42.

Recensie van E. van Alphen, De toekomst der herinnering. Literatuur 11, 1994, p. 50-52.

Bagatelles pour un Massacre. Een biologisch-racistische poëtica. Bzzlletin jrg. 23, nr. 215 (1994), p. 46-60.

1995
Laat de Nixers tot ons komen. In: Mekka. Jaarboek voor lezers 1995, onder redactie van Peter Nijssen & Josje Kramer. Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 89-99.

De Zangen van Maldoror. De Revisor jrg. 22, nr. 5, 1995, p. 3-15

Critici onder invloed. Parmentier jrg. 6, nr. 3, 1995, p. 28-36.

Visfucking. Propria Cures, jrg. 105, nr. 20, p. 1.
Peeëters. Propria Cures, jrg. 105, nr. 21, p. 4
Het stoere leven van een Stasipoes: Elsbeth Etty. Propria Cures, jrg. 105, nr. 22, p. 6.
Het verdriet van België. Propria Cures, jrg. 105, nr. 23, p. 1.
Rumoer om Papenlust. Propria Cures, jrg. 105, nr. 24, p. 4.
Op schoot bij opa. Propria Cures, jrg. 105, nr. 25, p. 5.

Ovale ballen. Propria Cures, jrg. 105, nr. 32/33, p. 7.

Lastige vragen. Trouw, Letter en geest, 2/12/1995, p. 18.

Oorlogsfoto's. NRC/Handelsblad 1995.

Psychoanalyse als verklaringswijze van biografieën en historische studies? Commentaar bij het proefschrift van Solange Leibovici. In: Werkgroep andere tijden, Psychoanalyse en historisch onderzoek. Amsterdam 1995, p. 21-25.

1996
Adieu Optimaal!. Optima 50, jrg. 14, nr. 1, 1996, p. 52-56.

Wat moeten we met Proust? Maatstaf, jrg. 44, nr. 4, 1996, p. 28-48.

Ik, Maldoror. Maatstaf, jrg. 44, nr. 5, 1996, p. 2-6.

Door de ogen van de man. Maatstaf, jrg. 44, nr. 9, 1996, p. 18-27.

Mon cher Ducroo. [22ste in een reeks brieven aan romanpersonages]. de Volkskrant 21 augustus 1996, p. 11.

Uw droefheid zal tot blijdschap worden. In: Dan liever de lucht in. Fantastische verhalen uit de vaderlandse geschiedenis. Amsterdam, Querido 1996, p. 200-226.

Het hele gezin bescheurt zich. [over 'Le souffle au coeur']. De Groene Amsterdammer. 4 december 1996, p. 21.

Em. Kummer & Ariane van Santen, Céline als bruinhemd. In: Ginkgo Biloba en andere vertalingen voor Pim Lukkenaer. Leiden 1996, p. 33-36.

1997
Prima lectuur voor mijn donkere zusters en broeders. Trouw 6/9/97, Letter en geest p. 21.

Onzindelijke suggesties en troebele projecties. Trouw 3/10/97, p. 11.

1998
Elsschot zakt toch voor zijn tentamen. Literatuur jrg. 15, no. 5, 1998, p. 291-293.

1999
De Grote Mjam. Optima 17, nr. 3, 1999, p. 81-88

2002
Céline, een briljante boef. Hermans over Céline. De Revisor 29, 3, 5-14

2006
Tonton Georges. De Revisor 32, 6, 63-71.

Céline, een briljante boef. Soesterberg, Aspekt, 313 pp.

2007
Ik, Gallobataaf. De Revisor 33, 4, 47-53.

2012
Céline, een briljante boef. Herziene uitgave. Soesterberg, Aspekt, 400 pp.

2016

Wilde verhalen. Een reis door tijd en ruimte. Soesterberg, Aspekt, 310 pp.

 

Voor dbnl klik hier: dbnl.


Over Indochina:
Rende van de Kamp, Soldaat voor een ander. Nederlanders in vreemde krijgsdienst. Aspekt, 2009. Hoofdstuk 15: Emanuel Kummer. Een Amsterdammer in Indochina, 149-158.

woensdag, 06 juni 2012 07:17

Emanuel Kummer: Gallobataaf

Ik ben geboren in Amsterdam op 19 november 1926. Mijn moeder was Française, mijn vader een Nederlander die zich een jaar na mijn geboorte liet naturaliseren tot Fransman. Ik ben altijd Frans en Nederlands gebleven, een Gallobataaf.

Vroege jeugd: van Amsterdam naar Indochina en terug naar Bussum

Mijn kinderjaren bracht ik door in Indochina (Vietnam), waar mijn vader handel dreef. Toen hij tbc kreeg, werd ik op mijn zesde bij familie van mijn vader in Bussum ondergebracht. Ik kwam er op de lagere school terwijl ik geen woord Nederlands sprak. Later deed ik eindexamen MULO-B, in 1943. Haalde het diploma marconist. Toen ook mannen van mijn leeftijd opgeroepen werden in Duitsland te gaan werken, dook ik onder in Vledder.
Na de bevrijding reisde ik op een ingewikkelde manier naar Nice, naar mijn moeder. Het was een groots avontuur, zonder persoonsbewijs door het pas bevrijde België en Frankrijk. In Marseille bijna de bak in, want ik had geen papieren, gelukkig was er een onderofficier die zei dat ik wel in Nice opgepikt zou worden als het fout zat.

Het Franse koloniale leger

Na een jaar Nice heb ik me gemeld voor het Franse koloniale leger. Dat is niet (eeuwig misverstand) het Vreemdelingenlegioen, ik was immers gewoon Fransman, en geen vreemdeling. Ik werd gelegerd in Marokko, en vandaar naar Indochina gestuurd (Vietnam). Daar werd ik twee jaar lang ingezet in de oorlog tegen de communisten. Niet alleen een vuile oorlog maar ook volstrekt onbegrijpelijk. Waarvoor zaten we daar? Daarover werd onder de blanken nooit gesproken. Je was daar en je moest overleven. Je trok op met Annamieten of Cambodjanen, geronselde soldaten die nauwelijks Frans spraken en wij hun taal niet, het contact was uiterst summier. Ze lieten zich doodschieten voor Frankrijk tegen een fooi. Over de ideologie, het communisme dat we in Indo China moesten bestrijden, geen woord.
Wat mij opviel was de gespannen verhouding tussen Vietnamezen en Cambodjanen. Ze lustten elkaar niet. Dat was net als in Marokko tussen de licht gekleurde bevolking en onze zwarte soldaten. Daarvoor nooit een redelijk verklaring voor gevonden. Racisme is een wereldziekte, het heeft mij ontzettend getroffen. Het heeft me tot een vurig aanhanger van de linkse kerk gemaakt. Ik haat elke discriminatie.
Ik was intussen onderofficier, maar toen mijn diensttijd afgelopen was - ik had voor vier jaar getekend - wou ik het leger uit.

Terug: eerst Frankrijk, toen Nederland

Ik keerde terug naar Frankrijk, waar ik een jaar of vijf werkte voor de KLM in Parijs en woonde ook nog een tijdje in Nice, waar ik makelaar zou worden, een volkomen flop. Inmiddels was ik getrouwd met Yvonne Bitter, met wie ik, eenmaal terug in Nederland, twee zonen kreeg:

    Alain (1963) (klik hier), inmiddels al weer jaren patholoog

 

    en Yves (1965)

met zijn eigen Kumpany (klik hier), vooral als rugbyer wereldberoemd in Nederland.

 

Studeren

In Indochina was ik al begonnen met het aanleggen van een bibliotheek. Ik heb altijd veel gelezen en ook op jonge leeftijd boeken gekocht. Ik heb nog exemplaren van Kant, Schopenhauer, Rimbaud. Verlaine die ik al in leger kocht. Terug in Nederland wilde ik naar één ding: studeren. Daarvoor moest ik eerst, in 1957, het staatsexamen Gymnasium A. halen. Daarna kon ik naar de universiteit. Dat werd Amsterdam, waar ik Frans studeerde, en in 1963 mijn doctoraal deed.

Leraar 1963-1969

Direct na mijn doctoraal ging ik lesgeven, eerst op het Jac. P. Thijsse Lyceum in Overveen, daarna aan de Gerrit van der Veen MMS in Amsterdam-Zuid. Ik krijg nog wel eens een Indianenverhaal te horen van een oud-leerling over onze omgang. Ik zou in de klas zo maar sigaretten rondgestrooid hebben, of mijn leerlingen naar Bussum hebben gebracht om daar in mijn tuin Frans met ze te praten. Herinner me daar niets van.
Op de Gerrit van der Veen had ik ook het voorrecht met inspirerende collega's als Rob Nieuwenhuis, Piet Calis, Henk Mulder en Richter Roegholt te werken. Het is een van de leukste periodes van mijn leven. Zelden zo veel lol gehad, ook al vanwege de opstand van de jeugd, dat ging niet geruisloos aan ons voorbij. Uren discussieerden wij in de docentenkamer, we verschenen soms wel een kwartier te laat voor de klas, wat de leerlingen bijzonder apprecieerden. Op een zeker moment wilde Calis de verbroedering van de jeugd en ons leraren tot het uiterste doorvoeren en werd de docentenkamer opengezet voor de leerlingen. Maar dat bracht helaas niet wat hij zich had voorgesteld.

Vertaling Voyage van Céline

Tijdens mijn leraarschap vertaalde ik Célines Voyage au bout de la nuit die als Reis naar het einde van de nacht in 1968 uitkwam bij Van Oorschot. Kort daarna stelde ik een boek samen met brieven, artikelen en polemieken van Céline, Van de ene dood naar de andere. Er kon geen enkele twijfel meer aan bestaan: ik verwerp in mijn inleiding de ideeën van Céline volstrekt. Mogelijk had de jury dat nodig om, in 1972, mij de Martinus Nijhoffprijs te verlenen voor mijn vertaling van de Voyage.

Universiteit Leiden 1969-1988

Sem Dresden, de godfather van de Nederlandse romanisten, haalde mij in 1969 naar Leiden als wetenschappelijk medewerker bij de Vakgroep Franse taal-en letterkunde.

ariane

In Leiden leerde ik ook mijn tweede vrouw kennen, Ariane van Santen, werkzaam bij de vakgroep Nederlands.

Ik sprak goed Frans, kon vertalen maar moest mij het vak, Franse literatuur, nog goeddeels eigen maken. Dat was hard werken, en zeker ook toen ik Dresden in 1975 volgde naar de vakgroep Algemene Literatuurwetenschap. Universitair onderwijs in een nieuw vak, en het schrijven van een proefschrift, dat ik afrondde in 1985: Literatuur en ideologie. Proust en ter Braak. De beste herinneringen heb ik aan de gesprekken met Sem Dresden en Hans Gomperts, maar ook aan mijn studenten.. Ik kan niet anders zeggen dat ik genoten heb met de omgang van leerlingen en studenten't heeft me ook aangezet tot het verdiepen van mijn kennis om die dan weer enthousiast over te dragen.

Met Eep Francken richtte ik in 1978 het tijdschrift Over Multatuli op, het tijdschrift over de eerste moderne Nederlandse auteur. We brachten 25 nummers uit, inmiddels zijn ze aan jaargang 36. Met Herman Verhaar schreef ik een deeltje in de door ons bedachte serie Synthese: Over de avonden van Gerard Kornelis van het Reve. Amsterdam 1976.

Na de VUT

In 1987 kreeg ik mijn eerste bypassoperatie, en toen ik een jaar later, genezen en wel, de VUT in kon, heb ik dat met beide handen aangegrepen en geen moment betreurd. Hoe graag ik ook heb les gegeven, ik had nu veel meer vrije tijd, en: ik was bevrijd van het keurslijf van de verplichte wetenschappelijkheid. Ik kon schrijven zoals ik wilde, en heb sindsdien meer gepubliceerd, ook over het vak, dan in de jaren daarvoor.

Romans, verhalen, artikelen, polemieken en een boek over Céline

In 1990 verscheen mijn eerste roman, Afscheid in Meudon, in 1994 gevolgd door Helden zijn zwart. Verhalen publiceerde ik onder andere in Optima, De Revisor en Maatstaf. Ik schreef artikelen over Multatuli, het surrealisme, Céline en de literatuurwetenschap. Polemieken, daar houd ik van, ik verzette me fel tegen het feministisch fundamentalisme in de literatuur kritiek, de ideeën van Bal. Meijer en Van Alphen die eind vorige eeuw in Nederland de republiek der letteren het liefs wilden veranderen in een dictatuur. Iets belachelijkers ben ik nooit tegengekomen. En als gastredacteur van Propria Cures kon ik in 1995 helemaal mijn gang gaan.
Maar aan serieus onderzoek geen gebrek: in 2006 publiceerde ik (eindelijk) een uitgebreide studie over Céline: Céline, een briljante boef, waarvan in 2012 een herziene uitgave is verschenen.

Gerard Kornelis van het Reve, tweede zoon van Janetta Jacoba Doornbusch en de journalist Gerard J.M. van het Reve, schreef zijn roman De avonden in vier maanden. Volgens Lucas van der Land begon hij eraan met een therapeutische bijbedoeling. Maar het boek zou dit al snel overstijgen. De avonden, een winterverhaal, verscheen november 1947 bij De Bezige Bij te Amsterdam. Het boek rond de hoofdpersoon Frits van Egters, groeide uit tot een van de belangrijkste klassiekers van de Nederlandse literatuur en tot spiegel van een tijdperk. De auteurs, kenners van het werk van Reve, houden dit belangrijke boek in deze herziene editie tegen het licht.

dinsdag, 05 juni 2012 12:16

Céline, een briljante boef

Ondanks zijn politieke verleden wordt Céline als een zeer groot romanschrijver beschouwd. Het interessante is dat zijn virulente racisme en zijn verkettering van de westerse wereld zich voor velen als iets onverwachts voordeden. Door de heftigheid van soms idiote uitlatingen hebben mensen zich zelfs afgevraagd of hij niet gek was geworden. Er werd en wordt nog steeds verwoed over hem gediscussieerd. 'Wie was Céline?' vraagt de auteur van dit boek zich af. Zijn conclusie: groot als schrijver, fout als mens. Kortom: een briljante boef.

Em. Kummer is een van de grootste Céline-kenners van Nederland. Hij vertaalde brieven en pamfletten en publiceerde diverse artikelen over Céline. Ook schreef hij verhalen en romans, waaronder Afscheid in Meudon. Voor zijn nog steeds veel gelezen en geprezen vertaling Reis naar het einde van de nacht kreeg hij de Martinus Nijhoff Prijs.
Voor deze uitgave heeft Kummer onthullende brieven vertaald van Céline aan vrienden en vriendinnen.

 

Het Leidsch Dagblad 31 mei 2012 over dit boek:

Echt nieuwe inzichten levert het niet op, maar wel is ‘Céline, een briljante boef’ een boeiende verhandeling over een van de meest omstreden schrijvers van de twintigste eeuw: Louis-Ferdinand Céline. Hij schreef briljante, eigenzinnige boeken als ‘Reis naar het einde van de nacht’ en ‘Dood op krediet’, waarin hij vlijmscherpe maatschappijkritiek gaf. Maar hij liet zich ook, voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, kennen als een fel antisemiet en een collaborateur van de nazi’s. Na de oorlog nam hij nooit afstand van deze denkbeelden. Wat nu al jaren de vraag oproept: was Céline verblind, gestoord of was hij echt een heel erg foute man. Emanuel Kummer, groot Célinekenner en vertaler van diens werk, komt in zijn boek tot de conclusie: een groot schrijver, maar een slecht mens, een boef. Kummer vertaalde voor dit boek ook een aantal nog niet eerder in ons land gepubliceerde brieven van Céline, die veel over zijn persoonlijkheid zeggen.

dinsdag, 05 juni 2012 11:04

Biografie

Emanuel Kummer, Nederlands prozaschrijver, vertaler en literatuurwetenschapper (Amsterdam 19.11.1926). Kummer had een Nederlandse vader en een Franse moeder. Na zijn vroege jeugd in Indochina woonde hij in Nederland tot het eind WO II, toen hij naar Frankrijk ging. Daar trad hij na korte tijd in dienst van het Franse koloniale leger en werd hij in Indochina gelegerd. Terug in Nederland studeerde hij Frans, werd leraar en vervolgens docent bij de Faculteit Letteren in Leiden. In 1985 promoveerde Kummer op het literair-sociologische proefschrift Literatuur en ideologie. Proust en Ter Braak. Inmiddels had hij de Martinus Nijhoffprijs 1972 gekregen voor zijn vertaling van Célines Reis naar het einde van de nacht (1968).

In 1990 debuteerde Kummer als romanschrijver met Afscheid in Meudon, in 1994 gevolgd door Helden zijn zwart. Verhalen publiceerde hij onder andere in Optima, De Revisor en Maatstaf. In Céline, een briljante boef (2012) schrijft Kummer over Célines antisemitisme. Kummer schreef voorts essays, onder meer over Multatuli en Van het Reve.