Emanuel Kummer: Gallobataaf

Ik ben geboren in Amsterdam op 19 november 1926. Mijn moeder was Française, mijn vader een Nederlander die zich een jaar na mijn geboorte liet naturaliseren tot Fransman. Ik ben altijd Frans en Nederlands gebleven, een Gallobataaf.

Vroege jeugd: van Amsterdam naar Indochina en terug naar Bussum

Mijn kinderjaren bracht ik door in Indochina (Vietnam), waar mijn vader handel dreef. Toen hij tbc kreeg, werd ik op mijn zesde bij familie van mijn vader in Bussum ondergebracht. Ik kwam er op de lagere school terwijl ik geen woord Nederlands sprak. Later deed ik eindexamen MULO-B, in 1943. Haalde het diploma marconist. Toen ook mannen van mijn leeftijd opgeroepen werden in Duitsland te gaan werken, dook ik onder in Vledder.
Na de bevrijding reisde ik op een ingewikkelde manier naar Nice, naar mijn moeder. Het was een groots avontuur, zonder persoonsbewijs door het pas bevrijde België en Frankrijk. In Marseille bijna de bak in, want ik had geen papieren, gelukkig was er een onderofficier die zei dat ik wel in Nice opgepikt zou worden als het fout zat.

Het Franse koloniale leger

Na een jaar Nice heb ik me gemeld voor het Franse koloniale leger. Dat is niet (eeuwig misverstand) het Vreemdelingenlegioen, ik was immers gewoon Fransman, en geen vreemdeling. Ik werd gelegerd in Marokko, en vandaar naar Indochina gestuurd (Vietnam). Daar werd ik twee jaar lang ingezet in de oorlog tegen de communisten. Niet alleen een vuile oorlog maar ook volstrekt onbegrijpelijk. Waarvoor zaten we daar? Daarover werd onder de blanken nooit gesproken. Je was daar en je moest overleven. Je trok op met Annamieten of Cambodjanen, geronselde soldaten die nauwelijks Frans spraken en wij hun taal niet, het contact was uiterst summier. Ze lieten zich doodschieten voor Frankrijk tegen een fooi. Over de ideologie, het communisme dat we in Indo China moesten bestrijden, geen woord.
Wat mij opviel was de gespannen verhouding tussen Vietnamezen en Cambodjanen. Ze lustten elkaar niet. Dat was net als in Marokko tussen de licht gekleurde bevolking en onze zwarte soldaten. Daarvoor nooit een redelijk verklaring voor gevonden. Racisme is een wereldziekte, het heeft mij ontzettend getroffen. Het heeft me tot een vurig aanhanger van de linkse kerk gemaakt. Ik haat elke discriminatie.
Ik was intussen onderofficier, maar toen mijn diensttijd afgelopen was - ik had voor vier jaar getekend - wou ik het leger uit.

Terug: eerst Frankrijk, toen Nederland

Ik keerde terug naar Frankrijk, waar ik een jaar of vijf werkte voor de KLM in Parijs en woonde ook nog een tijdje in Nice, waar ik makelaar zou worden, een volkomen flop. Inmiddels was ik getrouwd met Yvonne Bitter, met wie ik, eenmaal terug in Nederland, twee zonen kreeg:

    Alain (1963) (klik hier), inmiddels al weer jaren patholoog

 

    en Yves (1965)

met zijn eigen Kumpany (klik hier), vooral als rugbyer wereldberoemd in Nederland.

 

Studeren

In Indochina was ik al begonnen met het aanleggen van een bibliotheek. Ik heb altijd veel gelezen en ook op jonge leeftijd boeken gekocht. Ik heb nog exemplaren van Kant, Schopenhauer, Rimbaud. Verlaine die ik al in leger kocht. Terug in Nederland wilde ik naar één ding: studeren. Daarvoor moest ik eerst, in 1957, het staatsexamen Gymnasium A. halen. Daarna kon ik naar de universiteit. Dat werd Amsterdam, waar ik Frans studeerde, en in 1963 mijn doctoraal deed.

Leraar 1963-1969

Direct na mijn doctoraal ging ik lesgeven, eerst op het Jac. P. Thijsse Lyceum in Overveen, daarna aan de Gerrit van der Veen MMS in Amsterdam-Zuid. Ik krijg nog wel eens een Indianenverhaal te horen van een oud-leerling over onze omgang. Ik zou in de klas zo maar sigaretten rondgestrooid hebben, of mijn leerlingen naar Bussum hebben gebracht om daar in mijn tuin Frans met ze te praten. Herinner me daar niets van.
Op de Gerrit van der Veen had ik ook het voorrecht met inspirerende collega's als Rob Nieuwenhuis, Piet Calis, Henk Mulder en Richter Roegholt te werken. Het is een van de leukste periodes van mijn leven. Zelden zo veel lol gehad, ook al vanwege de opstand van de jeugd, dat ging niet geruisloos aan ons voorbij. Uren discussieerden wij in de docentenkamer, we verschenen soms wel een kwartier te laat voor de klas, wat de leerlingen bijzonder apprecieerden. Op een zeker moment wilde Calis de verbroedering van de jeugd en ons leraren tot het uiterste doorvoeren en werd de docentenkamer opengezet voor de leerlingen. Maar dat bracht helaas niet wat hij zich had voorgesteld.

Vertaling Voyage van Céline

Tijdens mijn leraarschap vertaalde ik Célines Voyage au bout de la nuit die als Reis naar het einde van de nacht in 1968 uitkwam bij Van Oorschot. Kort daarna stelde ik een boek samen met brieven, artikelen en polemieken van Céline, Van de ene dood naar de andere. Er kon geen enkele twijfel meer aan bestaan: ik verwerp in mijn inleiding de ideeën van Céline volstrekt. Mogelijk had de jury dat nodig om, in 1972, mij de Martinus Nijhoffprijs te verlenen voor mijn vertaling van de Voyage.

Universiteit Leiden 1969-1988

Sem Dresden, de godfather van de Nederlandse romanisten, haalde mij in 1969 naar Leiden als wetenschappelijk medewerker bij de Vakgroep Franse taal-en letterkunde.

ariane

In Leiden leerde ik ook mijn tweede vrouw kennen, Ariane van Santen, werkzaam bij de vakgroep Nederlands.

Ik sprak goed Frans, kon vertalen maar moest mij het vak, Franse literatuur, nog goeddeels eigen maken. Dat was hard werken, en zeker ook toen ik Dresden in 1975 volgde naar de vakgroep Algemene Literatuurwetenschap. Universitair onderwijs in een nieuw vak, en het schrijven van een proefschrift, dat ik afrondde in 1985: Literatuur en ideologie. Proust en ter Braak. De beste herinneringen heb ik aan de gesprekken met Sem Dresden en Hans Gomperts, maar ook aan mijn studenten.. Ik kan niet anders zeggen dat ik genoten heb met de omgang van leerlingen en studenten't heeft me ook aangezet tot het verdiepen van mijn kennis om die dan weer enthousiast over te dragen.

Met Eep Francken richtte ik in 1978 het tijdschrift Over Multatuli op, het tijdschrift over de eerste moderne Nederlandse auteur. We brachten 25 nummers uit, inmiddels zijn ze aan jaargang 36. Met Herman Verhaar schreef ik een deeltje in de door ons bedachte serie Synthese: Over de avonden van Gerard Kornelis van het Reve. Amsterdam 1976.

Na de VUT

In 1987 kreeg ik mijn eerste bypassoperatie, en toen ik een jaar later, genezen en wel, de VUT in kon, heb ik dat met beide handen aangegrepen en geen moment betreurd. Hoe graag ik ook heb les gegeven, ik had nu veel meer vrije tijd, en: ik was bevrijd van het keurslijf van de verplichte wetenschappelijkheid. Ik kon schrijven zoals ik wilde, en heb sindsdien meer gepubliceerd, ook over het vak, dan in de jaren daarvoor.

Romans, verhalen, artikelen, polemieken en een boek over Céline

In 1990 verscheen mijn eerste roman, Afscheid in Meudon, in 1994 gevolgd door Helden zijn zwart. Verhalen publiceerde ik onder andere in Optima, De Revisor en Maatstaf. Ik schreef artikelen over Multatuli, het surrealisme, Céline en de literatuurwetenschap. Polemieken, daar houd ik van, ik verzette me fel tegen het feministisch fundamentalisme in de literatuur kritiek, de ideeën van Bal. Meijer en Van Alphen die eind vorige eeuw in Nederland de republiek der letteren het liefs wilden veranderen in een dictatuur. Iets belachelijkers ben ik nooit tegengekomen. En als gastredacteur van Propria Cures kon ik in 1995 helemaal mijn gang gaan.
Maar aan serieus onderzoek geen gebrek: in 2006 publiceerde ik (eindelijk) een uitgebreide studie over Céline: Céline, een briljante boef, waarvan in 2012 een herziene uitgave is verschenen.

Meer in deze categorie: « Biografie