Ik, Maldoror

Geschreven door 

 

Toen ik zo rondscharrelde in wat we onze wereld noemen, kwam ik een raadselachtige figuur tegen. Aan de bar van een kroeg in Amsterdam. Hij had een perkamenten kop, donker haar, een gezicht dat op een Fransman leek uit de Languedoc, richting Tarbes De man keek me aan en zonder dat ik iets tegen hem gezegd had, begon hij met een duidelijk zuidelijk Frans accent:

          'U kent me niet, ik u ook niet, dat treft mooi. Mijn naam is Maldoror. Hoewel mijn avonturen in vele talen, ook in het Nederlands, vertaald zijn, ben ik slechts in een kleine kring van fijnproevers bekend. Toch heb ik een zekere faam, niet alleen door de surrealisten, lettristen of situationisten, maar ook door de opstandige Parijse studenten van mei '68. Die vonden inspiratie in mijn zangen wat me nog altijd met grote tevredenheid vervult. Net als ik hoopten ze de zon te ontdekken achter de grauwe, betonnen muur van het botte, arrogante, humorloze regentendom.

           Hij bestelde een glas wijn voor ons allebei en ging verder:
           'Ik, Maldoror, ben held en zanger van mijn eigen avonturen. Op de kaft van de tekst staat: Zangen van Maldoror door Lautréamont en Lautréamont is dan weer een pseudoniem voor Isidore Ducasse, een Fransman uit de vorige eeuw die op zijn vier en twintigste stierf. Dat was in 1870. Hij zou de auteur van mijn avonturen zijn. Gelul. Ik ben steeds aan het woord. Alleen, ik maak er een potje van, zodat de lezer soms niet weet wie wat zegt: is het die Ducasse, is het Lautréamont of ben ik het: Maldoror? Al die verschillende vertellers geven een hoop verwikkelingen, tot uitzinnige vreugde van de universitaire doodgrvers die maar drabben over wie de ik-verteller wel of niet kan zijn. Dat heb ik in ieder geval bereikt'.

           Hij haalde diep adem, keek me strak aan, 't was alsof hij zich afvroeg of ik hem wel volgen kon.
           'Van die Ducasse weten we om zo te zeggen niets. Dat is het allermooiste wat je je kunt voorstellen. Want dan breekt het geouwehoer pas los. Met horden zijn ze op pad gegaan om iets van die Ducasse te weten te komen, om een vent achter de vorm te vinden. Eerst vertelden ze links en rechts dat die knaap volkomen geschift was en in een inrichting aan zijn einde kwam. Toen dat niet houdbaar bleek, hebben ze mijn zangen met een kam doorgevlooid in de hoop iets anders over hem te vinden. Buitengewone wreedheid, criminele aanleg, frustratie als kind door een vreselijke bijnaam, verlatingsangst, waanzinnige nachtmerries, geweldige hoofdpijnen, doofheid, slachtoffer van een ontroostbare liefde, voelde zich op school als in een gevangenis, ja, hij had zelfs een verminkt gezicht, alles werd erbij gehaald. Die arme Ducasse! Hij zou naar aanleiding van mijn gedrag en avonturen: sadist, masochist, homo, dierenneuker, haarfetisjist, zelfrukker van groot formaat zijn. Allemaal flauwekul, dat zou ie wel willen, niets ervan, het gaat over mij, Maldoror. Je houdt het niet voor mogelijk hoe die neuzelaars allerlei dingen in een tekst willen vinden die niets met mijn zangen te maken hebben, altijd op zoek naar het biografische, de stakkers, alsof de tekst op zichzelf niet voldoende is.'
           Hij begon vreselijk te lachen, sloeg met zijn vuist op de toog en continueerde:
           'En geloof mij maar, ik heb heel wat te vertellen en op een speciale manier en daar gaat het om. Ik ben Satan, bandiet, schurk, ja, eigenlijk een stripfiguur. Ik ben in een eeuwig, bloedig gevecht met God en de mens gewikkeld en dat is geen geringe opgave. Ik ben van alles en nog wat, ik verander in een zwarte zwaan, een inktvis, een zwijn of een arend als het moet, ik beschik over bovenmenselijke gaven. Hoewel goedaardig bij mijn geboorte, blijk ik later 'erfelijk' boosaardig te zijn. Ik word dus wreed. En niet zo zuinig. Zo laat ik mijn nagels lang groeien om plotseling de weke borst van een kind open te rijten en van zijn bloed te smullen, terwijl het huilt. Ik schiet op een drenkeling die naar de kust zwemt, sleur jonge meisjes onder de guillotine, wurg een goed opgevoede jongen. Een onnozel wicht, dat nota bene van het gebabbel van tulpen en anemonen, raadgevingen van moerasplantjes en van scherpzinnige opmerkingen van kikvorsen geniet, pak ik 's flink. Ik beveel vervolgens mijn buldog haar te doden, wat dat stomme beest niet doet, hij verkracht haar wel wat absoluut niet de bedoeling was, dus ik geef 'm een rot trap waarop hij 'm smeert. Tenslotte gebruik ik een mooi Amerikaans zakmes met twaalf mesjes om alle ingewanden uit het binnenste van dat lieve kind weg te halen zodat ze leeg is als een schoongemaakt kippetje en biedt aan het slot lacherig mijn excuses aan. Voer te over voor de geharnaste stoottroepen van het literair fatsoen, maar die stomme eenden hebben niet door dat die passages geweldige parodieën zijn op bestaande literatuur.'
            Hij bestelde weer een glas wijn voor ons, sloeg me op mijn schouder en nam weer het woord.
            'Mijn seksleven is verre van eenvoudig. Om te beginnen beschik ik over een buitengewoon seksueel apparaat, al zeg ik het zelf, want ik heb een knots van een slurf die eeuwig als een vlaggenstok recht naar boven blijft staan en waar een schoenpoetser zijn mes in stak. Maar ook heeft een kwaadaardige adder mijn lid verslonden en zijn plaats ingenomen, 't kolerebeest, ga daar maar 's mee aan de slag. Meestal bemin ik engelachtige jongens hoewel ik die dan wreed dood of vermink. Trouwens, eigenlijk moet ik niets hebben van mooie vrouwen, jongens of hermafrodieten, mijn eerste hartstochtelijke liefde was een wijfjes haai waarmee ik een woeste maar vochtige wip had, en ik heb 't ook aangelegd met een luis, wel drie nachten lang.'
           Hij zuchtte diep.
           'Dat alles is natuurlijk machtig interessant maar daarmee alleen breng je het niet ver in de moderne letterkunde. Om te beginnen heb ik, zoals u wel hoort, mijn taal aangepast. Ik ken mijn grote voorgangers. En ik doe eveneens aan het modernisme en postmodernisme, jazeker, dat heb ik goed bekeken toen ik in de vorige eeuw mijn Zangen optekende. Ik schrijf namelijk over het schrijven zelf, over metaforen, het gebruik van lange of korte zinnen, maar wel zo dat je afvraagt of ik de boel niet belazer. Ik maak de vreemdste vergelijkingen, zoals bijvoorbeeld de schoonheid van een mestkever met het beven van de handen bij alcoholisten, en de schoonheid van een jongen met de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op een ontleedtafel. Nou, dat was me wat. Breton en zijn surrealisten hadden het niet meer, dat was poëzie die spontaan opwelde uit het onderbewuste. Nonsens. Ik heb willekeurig wat bij elkaar gehaald, heel bewust, omdat ik naar effect zocht. Sterker nog, in een bevlogen bui heb ik hele stukken geplagieerd zoals mijn beroemde passage over de vlucht van een zwerm spreeuwen, letterlijk uit een encyclopedie overgenomen, waarin ik die vlucht vergelijk met de manier waarop ik mijn zangen vertel. 't Heeft tijd gekost voordat die literaire dikkoppen het doorkregen, jarenlang bejubelden ze die flitsende metafoor en mijn onuitputtelijke kennis van de natuur. Toen ze er achter kwamen, viel er een doodse stilte in de gelederen van dat bedompte volkje van literatuurambtenaren totdat ze weer een prachtige verklaring voor mijn misstap vonden. De overgeschreven tekst had nu een hele andere betekenis gekregen.
           Het epigonisme heb ik eveneens met succes gehanteerd. Mijn beroemde zang over de oceaan bijvoorbeeld is volstrekt nageaapt van Byron en ook van Baudelaire en Michelet. Alleen heb ik het gesausd met sarcasme en humor, anders werd het net zo strontvervelend als bij die anderen. Toen ik ook nog 's vertelde dat ik het kwaad bezong als Mickiewicz, Byron, Milton, Southey, Musset en vele anderen uit de romantiek, was het hek van de dam. Daar vlogen de geleerden naar alle windstreken, ze haalden ter vergelijking de meeste obscure teksten te voorschijn. 'Intertekstualiteit', prevelden ze bewogen, willige slachtoffers van de meest opgeblazen dikdoenerij in het vak dat ze literatuurwetenschap noemen. Maar let op, ik doe net alsof ik in mijn geschrijf naar de oorsprong van de literatuur verwijs, hoe die tot stand komt, dat is supermodern schijnt 't. Ik wend voor dat mijn werk zijn eigen commentaar bevat, alles wat je er over wil vertellen staat er al in. Daarmee heb ik al die interpretatoren goed genaaid. Probeer maar 's in die Zangen van mij een thema vaststellen, dat lukt je nooit, niets heeft blijvende betekenis in mijn tekst. Geen commentaar houdt zich staande.'
           Hij strekte zijn rug, legde zijn hand op mijn arm.
           'Maar de onderzoekers moesten en zouden een betekenis in die Zangen van mij vinden. Ik wilde het goede vorm geven door het kwade te zingen, ik leed aan allerlei complexen, ik worstelde met mijn identiteit, ik verlangde een originele roman te schrijven, ik was lid van de vrijmetselarij, ik verlakte heel prozaïsch de boel. Wat een ellende. Je proza zal geïnterpreteerd worden tot de dood er op volgt, een griepende ziekte. Want, geloof mij, al die interpretaties gaan een eigen leven leiden en vervangen de tekst, ze bederven de spontane lol in het lezen. Daar moeten we voor eens en voor goed van af.'
           Toen gleed hij van zijn kruk, ging staan en riep met volle stem.
           'Nu moet je 's goed naar mij luisteren. Alles wat ik heb gemaakt is niet af, is dubbelzinnig. Het is een gigantisch geknutsel om door middel van bizarre effecten de lezer onderuit te halen. Steeds als hij meent wat orde in mijn tekst te krijgen, gaat ie op zijn bek, dan wordt zijn ernstige inspanning verstoord door opmerkingen die hem van slag brengen. Sarcastische contradictie, ironie die elke analyse doorkruisen, karikaturale weergaven van literaire clichés, maatschappijkritiek in de vorm van groteske waanzin, en voor alles gigantische, puberale lol, dat is mijn doel geweest. En als ik zie hoe de huidige, universitair geschoolde critici, bron van benepen, dogmatische vooroordelen, ons auteurs, voorschrijven hoe een literaire tekst eruit moet zien, dan merk ik dat mijn strijd nog lang niet afgelopen is. Problemen oplossen, gewaagde opvattingen ter discussie stellen, verschillende lagen en structuren aanbrengen, functioneel zijn, een bepaalde vorm van kennis voortbrengen, de filosoof uithangen, dat krijgen we te horen. 't Verhevene, 't truttige, 't gewichtige is tegenwoordig troef. Dat literatuur fictie en fantasie is, dat in onze teksten alles mag en dat je als auteur nergens aan gebonden bent, dat we duizend keer hetzelfde vertellen, steeds op een andere manier, dat het enige belangrijke stijl is, en in taal alles geoorloofd is, van het grove tot het geconstipeerde, daar kunnen ze met hun kippenverstand niet bij. We hebben weer te maken met een humorloos, arrogant regentendom in de letterkunde dat god beter 't de smaak van onze letteren bepaalt. Daartegen helpen alleen splijtende woede en bulderende lach, laten we de strijd voortzetten.'
           Hij keek me aan, zijn ogen schitterden, hij pakte mijn hand en riep: 'Adios Amigo, Adios.' En verliet de kroeg
           Ik heb hem nooit meer teruggezien, maar hij heeft wel een onsterfelijke indruk op mij achtergelaten.

Dit is een bewerkte versie van artikel in Maatstaf 44, 1996.
Ik heb gebruik gemaakt van Lautréamont, De Zangen van Maldoror in de vertaling van C.N. Lijsen - Polak & Van Gennep 1970.