Het leven van een stoere Stasipoes

Geschreven door 

Het leven van een stoere Stasipoes: Elsbeth Etty

Elsbeth Etty wilde bloed zien, dat was duidelijk. Ze schreef in de NRC, dat 'alle aspecten´ van Helden zijn zwart 'afgeleid zijn van, of op zijn minst sterk doen denken aan Reis naar het einde van de nacht. En wanneer een roman zo zwaar leunt op een meesterwerk uit de wereldliteratuur, is een vergelijking onvermijdelijk evenals de daarbij behorende teleurstelling´. Ze kan zich niet inleven in de figuur van Lasalle en zijn 'fascistoïde hang naar gevaarlijk leven en nihilisme´ en dat kon niet liggen aan feit dat Lasalle 'een grofgebekte militaire avonturier is, want dat was DESTOUCHES in Célines Reis ook en met dat boek heb ik nooit een vergelijkbaar probleem gehad´. Mijn roman is volgens haar niet zozeer 'stroef en ontoegankelijk´ omdat 'Kummer appelleert aan fantasieën waar vrouwen geen boodschap aan hebben, maar omdat zijn hoofdpersoon, Jean Lasalle, een karikatuur blijft, een nep DESTOUCHES´, en zo werd mijn roman schuimbekkend de grond ingetrapt.
Louter gratuite uitspraken, dat wel, ze komt met geen enkel voorbeeld aan en dat zal ze ook niet vinden. Alles wat ik vertel over Lasalle: zijn jeugd, zijn relaties met ouders en verwanten, zijn avonturen met de Senegalezen, noem maar op, waarbij ik vooral het ontstaan van ideologie, racisme, macho-gedrag, misplaatste culturele sentimentaliteit in een koloniale oorlog op een speciale manier centraal stel, staat ver af van de Reis. En nu komt het, ze vergelijkt mijn roman aan de lopende band met de Reis, maar noemt de hoofdpersoon uit dat boek tot twee maal toe Destouches. Ze heeft die roman dus nooit gelezen, godverdomme, ze weet niet eens dat ie Bardamu heet. Céline is een pseudoniem voor Louis-Ferdinand Destouches, die naam komt helemaal niet voor in de Reis. En dan maar beweren dat ze nooit dezelfde problemen met de Reis heeft gehad als met mijn roman, dat ik op Céline blijft leunen. Op zo´n manier worden recensies in de NRC geschreven, door vulgaire oplichtsters. En mocht ik er niet in geslaagd met mijn boek haar fantasie als vrouw te bevredigen dan moet men daar begrip voor hebben. Ik kon moeilijk voor haar persoonlijk plezier de hoofdpersoon Lasalle als een breedgeschouderde volkscommissaris laten opdraven met ballen als pompoenen. Voor de vrouw die als redactrice van de Waarheid haar fascistoïde hang naar politieke avonturen en nihilisme bevredigde in het stalinisme, en toen het absoluut noodzakelijk werd zonder enige gêne een draai rechtsom maakte om het fundamentalistisch feminisme te versterken.
En toen maakte een behulpzame vriend me opmerkzaam op een passage in Het onvervuld verlangen, Etty´s hartenkreet in de bundel Alles moest anders. Leerzaam hoor. Daar las ik dat Maaike Meijer van de radicaal-feministische Paarse september, een studiegenote, haar op de uitgebuite situatie van de vrouwen in de communistische partij had gewezen en alles werd me duidelijk. Maaike Meijer die samen met Ernst van Alphen, een sinistere kneuteraar, redacteur was van De canon onder vuur, een bundel artikelen met zogenaamd tegendraadse lectuur van bekende Nederlandse auteurs. Allerlei schrijvers zoals Nescio, Annie M. G. Schmidt, E. du Perron, Couperus hadden zich volgens een aantal literatuurgeleerden schuldig gemaakt aan racisme, seksisme en homofobie. Monomane debielen, die literatuurwetenschappers, het duimzuigen verhieven ze tot superieure kunst. Vooral Mieke Bal, de grote Rembrandtspecialiste, die wist zonder enige kennis van Het land van herkomst dit boek tot de grootste bron van viezigheid en vunzigheid te herleiden. De bundel besprak ik indertijd heel kritisch in Optima en met argumenten heb ik er de vloer mee aangeveegd, tot nu toe is er nooit enig weerwoord op gekomen. 'Precies´, zei die goeie vriend van mij, 'je snapt het nu, ´t gif van Mieke, Maaike en Moeke uit de feministische bunker´.
Overigens, ik kan een tegendraadse lectuur van Het onvervuld verlangen warm aanbevelen. Christus. Natuurlijk is onze Elsbeth fanatiek lid van de CPN geweest, maar tja, grote armslagen, ze weet niet of, ze herinnert zich niet, ze verwerpt, ze vindt zichzelf een lafbek, ze uit kritiek die ze weer inslikt, tegen de juiste lijn, ietwat dissident, geeft de illusie, kortom de goeie wil om ermee kappen is er wel, maar het wil maar niet lukken. Evelien Eshuis, Marius Ernsting en Ina Brouwer krijgen intussen een gluiperige trap na omdat die het bestaan van een 'stalinistische CPN´ gerekt zouden hebben. Dat moet zij nodig zeggen! Want in die tijd bleek ze - een aimabele verschijning die zich met hetzelfde gemak in de chicste hockeyclub van Den Haag bewoog als tussen de gedepriveerde meisjes in het opvoedingsgesticht - een hardliner te zijn. Verzetsmensen verguizen, vrijheidslievende rebellen tot misdadigers bestempelen, likken en trappen, dat ging haar als vrouw goed af. Elf jaar lang, geen kleinigheid. J.A.A. Van Doorn wordt wegens antisemitisme de NRC uitgeschopt omdat hij in zijn column naar aanleiding van de Israëlische persvrijheid over 'de joodse journalisten´ schreef, terwijl iedereen het er over eens is dat hij warempel geen antisemiet is, en deze wakkere voorvechtster van de goelagdemocratie, vurig aanhangster van antisemitische regimes in Oost-Europa, wordt redacteur bij hetzelfde blad. Als moffenhoer werd je na de oorlog voor goed aan de schandpaal genageld, als Stasipoes word je overal feestelijk onthaald. Mag best van mij, daar niet van, ik ben anarchist, maar het geeft je wel te denken.
Recensies schrijven kan ze niet, daar zijn we het allemaal roerend over eens, ze tilt de zaak; wippen kan ze des te beter, vooral carrièregericht. Margaret Mead wisselde van man wanneer ze 'nieuwe aandacht voor haar werk en haar ideeën nodig had´, kun je in haar ontboezemingen lezen. Kijk 's aan, een feministisch geschoolde postmodernist ontdekt in zo'n opmerking een onthullend marginalisme. En, ach, laten we niet lullig doen, ze is weer terug waar ze hoort, in het veilig nestje van haar jeugd: het grootkapitalistische liberalisme. En of 't nu als communiste of feministe is, dat maakt in haar geval niet veel uit.

Em. Kummer
Bewerking van bijdrage in Propria Cures, jrg. 105 (1995), nr. 22, p. 6.